Home Home Terug naar familiegeschiedenis Terug naar familiegeschiedenis
Het begin van mijn carrière als 17-jarige jongeman en mijn leven met ma  Nadat ik van school kwam, ik was 17 jaar, heb ik eerst gesolliciteerd bij een bank (Mees & Zonen). Ik ben toen met mijn  diploma naar die bank gegaan. Daar kon ik komen werken tegen een schamel loontje van fl. 25 per maand. Dat was op  zichzelf aanvaardbaar met een 5-jarig HBS-A diploma. Het was wel geen riant salaris, maar voor die tijd aanvaardbaar.  Mij werd gevraagd of ik nog in militaire dienst moest. Dat wist ik zo niet. Er werd gezegd, dat als ik in militaire dienst  moest ik er direct uitging en dan nemen we je niet terug. En toen heb ik geweigerd die baan te aanvaarden. Totdat mijn  vader zei, “jongen, solliciteer eens een keer bij de Belastingdienst.” Dit was bij de Inspectie der Rijksbelastingen en dat  was aan de Boompjes. Dus ik heb daar gesolliciteerd. Ik kreeg kort na de sollicitatie een briefje thuis (de post kwam toen  nog 3 keer daags), dat ik de volgende dag kon beginnen. Ik heb dus direct Ja gezegd. De 2 dagen later geplande  vakantie ging niet door! En ik ben dus naar de Boompjes gestapt, naar de Inspectie. Daar ben ik, nadat ik me netjes had  aangemeld, begeleid naar het Hoofd van Dienst. En die heeft met mij zitten praten en vertelde mij dat ik tewerkgesteld  zal worden bij de afdeling Inkomstenbelasting. Dat was in dat gebouw op de tweede verdieping. Mijn eerste werkdag was  18 juli 1933 (Op 28 juli 1933 tekende ik mijn arbeidsovereenkomst). Dat weet ik nog, omdat ik geen vakantie kreeg in de  rest van dat jaar (je moest eerst een half jaar gewerkt hebben, dan pas kreeg je vakantie). Dus ik kwam daar op de eerste dag boven, op kamer 82. Daar zat mijnheer Koenderman (mijn oude chef). Dat was een  man die altijd op de klok en op zijn horloge keek. En dan riep hij op een gegeven moment: “ Tijd dames en heren”. Ik  kwam dan bij het 3e kantoor, dat was Rotterdam West. Ik zat vlakbij een man, die heette Hendriks. En die mijnheer  Hendriks was een gemeenteraadslid van Rotterdam. Hij deed, zoals dat gebruikelijk was, in de avonduren aan politiek.  We praatten wel eens erover. Voor de rest een heel aardige man, woonde aan de Mathenesserweg, niet ver van waar ik  woonde. Hier mijn eerste jaarstrookje.  Wat deed ik in mijn dienst bij de Belastingdienst. Ik deed van alles. Leggerafdeling K.80, verdeeld in 5 kantoren, ik kwam  op kantoor 3. Mijn chef was dhr. Dronkers (adj. commies), hij had 12 ambtenaren onder zich. Ik was arbeidscontractant  met een dagloon van fl. 1,40 per dag (naar leeftijd). De leggers lagen op straatvolgorde. Aangrenzend op 82 was de  schrijfmachinekamer (kohieren). In toenemende mate werd ik van eenvoudig werk (opzoeken, opbergen, koffie-zetten)  naar rekenwerk (denk aan logaritme-tafels) geplaatst, het berekenen van de kohieren i.v.m. de opbrengsten voor rijk,  provincie en gemeente Rotterdam. In het begin kreeg ik werk van lik-mn-vestje, routinewerk. Daar was geen aardigheid  aan. Totdat mij een keer gevraagd werd: “kun jij rekenen”? “Ja, ik kan wel rekenen”. “ja, want we hebben hier artikel 32  posten, dat waren posten van man en vrouw, die beiden afzonderlijk inkomsten hadden. Die werden toentertijd keurig  netjes vastgesteld naar de inkomsten van de twee zelf. Ze werden apart in de aanslag berekend. Van het totale inkomen, wat gesplitst was in tweeën , moest je berekenen welk deel voor de één en welk deel voor de ander was. Dat is een  kwestie van vermenigvuldigen. Maar die berekeningen waren soms vier of vijf cijfers, waarbij je dus moest  vermenigvuldigen of delen met grote getallen. Dus toen heb ik gezegd: “ja, dat wil ik wel eens proberen”. En toen schoot  mij in mijn gedachten dat ik op de HBS nog iets had geleerd. Ik had geleerd om met een logaritmetafel te werken. Die  logaritmetafel heb ik de volgende dag dus meegenomen en ik ben rustig aan de slag gegaan. De chef keek later en  dacht: “dat kan die ook vlug”. Hij heeft het nagekeken en het was goed. “Hoe heb je dat nou gedaan”, vroeg hij. Ik zei  dat ik het anders had gedaan dan jullie het doen en wel met de logaritmetafel. Het gevolg was dat ik al die posten kreeg.  Ook kreeg ik de posten van de anderen om te controleren. En dan vond je menige fout. Zoals je ziet had ik al gauw faam  gemaakt met rekenwerk. Ik was erg goed in rekenen en gebruikte de logaritmetafel bij grote berekeningen. Ik keek  allerlei rekenwerk (vooral 5-cijferige getallen) van anderen na.   Het opbergen en opzoeken van leggers die op volgorde lagen in hoge vakken, behoorde tot 1 van mijn taken. Het  afsluiten van de kohieren behoorde later ook tot mijn taak. Ik leerde hoe ik deze moest afsluiten met het berekenen van  bedragen die per kohier toegekend dienden te worden aan Provincie, Gemeente en Rijk. Deze gingen dan naar de  ontvanger en die moest ervoor zorgen dat het geïnd werd. Ik ben zelfs nog op de typekamer geplaatst geweest en een  van de dames is nog verliefd op mij geworden, maar dat ging niet door. Deze typekamer stond onder leiding van 1 man.  In kamer 82 zaten ongeveer 50 a 60 mensen. Daarvoor heb ik nog wel koffie gezet. Dit was aan de Boompjes. In de  pauze schaakte ik wel regelmatig een potje. Het waren potjes van hoogstens een half uur. Er was ook een man, die heette Zwaans, en die zat bij een ander kantoortje, een paar tafeltjes verder (dat is het eerste  kantoor). En die Zwaans, daar had ik in de gaten dat hij met horloges bezig was. En toen ben ik eens gaan kijken. Hij  vroeg, “wat wil je weten”? “Nou, ik wil graag kijken hoe dat gaat”. En toen heeft hij mij uitgelegd, en ook laten doen, hoe  je een horloge kon repareren. Zo heb ik later menig horloge kunnen repareren.  Ik leerde Ann kennen rond 1934 op de Mathenesserdijk. Ze was toen ruim 15 jaar oud. Ik was 18 jaar en Ann was nog  geen 16. Ik was met een paar jongens aan het voetballen of we waren net klaar ermee, toen er 2 meisjes aangefietst  kwamen. Eén van die meisjes was Ann. Ann was een stevige deerne. Het klikte tussen ons. Je fietste als jongen wel eens  mee of liep mee. Ja, dat had zijn tijd nodig, je weet hoe dat gaat. Haar zusje Wil was 7 of 8 jaar toen ik Ann leerde  kennen. We verloofden ons op 6 december 1937 (op Ann’s 19e verjaardag). Ik had daar aan de Mathenesserdijk verschillende vriendjes, zoals Jantje van Zeventer, neef Ben Burger (van ome Rien)  enz. Wij voetbalden daar altijd.  We waren beiden lid van de Jeugdherbergvereniging en we zijn samen gefietst naar Diest (België) bij Alice van der  Meulen, een soort jeugdherberg. Op de tweede verdieping sliepen de mannen/jongens en de vrouwen/meisjes sliepen  boven. Alice van der Meulen, een struise vrouw, zag daar streng op toe (zij scheidde de bokken van de geiten). En dan  fiets je weer naar huis, je stopt nog eens ergens (in Brabant), je vrijt nog een beetje. Ik vond het een mooie tijd. Ik weet nog wel dat we eens zijn wezen fietsen en dat ik op een gegeven moment ging zitten, waarschijnlijk in een rode  mierenhoop.   Ma was al een verwoed korfbalster toen ik haar leerde kennen. Door haar ben ik ook van voetbal overgestapt op de  korfbal. Dat was kort nadat ik ma had leren kennen.  We korfbalden bij de korfbalvereniging Spangen die de velden had in Schiedam in de Spaanse Polder. Mijn broer Leo zat  daar samen met Riet ‘Toetie’ Brinks op de korfbal. Ook mijn nicht Co Burger zat op KV Spangen. Co woonde op de  Mathenesserdijk 32 en Riet Brinks op 38.  Ik woonde aan de Mathenesserdijk 24B en Ann aan de Mathenesserdijk 56 (aan de andere kant van het P.C. Hooft-plein).  Wij konden, bij wijze van spreken (zij woonde ook op de 3e verdieping) elkaar zien.  De bomen waren natuurlijk niet zo  hoog als ze nu zijn, want nu zou dat onmogelijk zijn om elkaar zo te zien. Haar vader is toen verplaatst (ik weet niet of  het wel of niet op verzoek was) van Rotterdam douane naar douane Limburg. Ze woonden in Simpelveld en hij werkte  volgens mij in Haenrade (ze zijn verschillende keren verhuisd). Ze hebben de verloving in Rotterdam nog wel  meegemaakt. Die verloving had de consequentie dat ik haar het liefst in Rotterdam wilde houden.   Ma heeft in haar verlovingstijd nog gewerkt bij een kaasbedrijf. Dit bedrijf was gevestigd aan de Koushaven (pa heeft  daar nog zwemmen geleerd (schoolzwemmen)). Het was een buitenbad waar we zelfs in de winter zwommen.  Binnenbaden had je toen nauwelijks.   De ouders van Ann zijn terugverhuisd naar Limburg. Dat moet voor onze verloving op 6 december 1937 zijn geweest,  want op het verlovingskaartje staat als Ann’s adres: Graaf Florisstraat 10 B. Ik heb een verzoek aan Ann’s ouders gericht  om haar in Rotterdam te laten, ze werkte er ook. Ze kon bij iemand van de korfbalvereniging Spangen in de kost in de  Graaf Florisstraat 10 B bij de familie Hostman. Ann’s ouders gingen ermee akkoord. Ik heb de ouders de belofte gedaan  dat ze niks zou overkomen. Ik haalde haar daar wel eens op en dan zorgde ik er ook voor dat ze weer veilig thuis kwam.  Het was een wat oudere vrouw, bij wie ze in de kost was. Dat heeft ze een poosje volgehouden tot we gingen trouwen. Ik heb ze ook in Rotterdam weten te houden. Het was eind dertiger jaren. Wij voetbalden wel eens op straat (Mathenesserdijk). En dan was er één agent, die noemden  ze Pijpie. En Pijpie die pikte, als hij de kans kreeg, de bal in. Die stopte hij onder zijn zadel. Het was niet zo’n grote bal,  het waren kleinere ballen. En als hij dan weer een bal had afgepakt kreeg je geen bekeuring. Maar op een zondag, in de  winter van 1939/1940 stond ik in mijn mooie nieuwe jas aan de buitenkant te kijken. Jongens en meisjes waren bezig  aan het voetballen. En op een gegeven moment werd er geroepen: “Juut, juut”. En wat deed er eentje, die gooide de bal  over het hek heen tussen de struiken. En dus Pijpie kwam, en alles was uit elkaar gelopen en ik stond er met mijn goeie  jas voor de deur (24b) te kijken. Hij zegt tegen mij: “ jij hebt gevoetbald”. Ik zeg: “nee, ik heb niet gevoetbald”. Hij zegt:  “Ik heb het gezien”. Hij was nu even bezig mij de les te lezen. Hij wilde ook dat ik de bal zou gaan halen.  Kijkt mijn vader van 3 hoog en roept: “ Hé, Ben, is er wat”?  “Ja”, zeg ik, “deze politie agent zegt dat ik gevoetbald heb,  maar ik heb niet gevoetbald”. Hij zegt: “heb je niet gevoetbald”? “Nee”, zei ik. “Dan kom ik direct wel even naar be-  neden” En onder gejuich van de jeugd klom Pijpie dan maar zelf over het hek om de bal te pakken. En die politie agent  heeft kennelijk een verbaaltje gemaakt dat ik gevoetbald had. Toen moest ik voorkomen, later. En daar werd mij verteld:  “U heeft gevoetbald”. “Mijnheer, neem u mij niet kwalijk, maar ik heb niet gevoetbald. Ik voetbal graag, dat mag u gerust  weten, maar ik stond daar met een splinternieuwe jas aan en mijn ouders hadden mij verboden te voetballen. Dat die  anderen gevoetbald hebben en de bal over het hek hebben gegooid. En Pijpie gebood mij om over het hek te klimmen  om de bal te halen”. Dat heb ik toen verklaard en ze hebben verder niets gedaan. Ik heb geen straf gehad. Ik heb later  die agent ook niet meer gezien, want toen (februari 1940) verhuisde ik naar Terneuzen.  In onze verlovingstijd zijn we nog eens met een georganiseerde reis naar Duitsland geweest. Daar is een foto van dat ma  en ik tegen een rotswand bij een kasteel zitten. In 1938 kreeg ik een gedevalueerde rang van "schrijver 2e klasse". Op 23 februari 1940 kreeg ik 's middags de mede-  deling dat ik verplaatst werd naar de inspectie Terneuzen. Ik moest mij op 26 februari 1940 aldaar melden. Dat  betekende dat in het weekeinde alle verplichtingen afgezegd moesten worden. Mijn inmiddels verloofde ging mij missen.  Bij de Belastingdienst aan de Boompjes heb ik ook nog bij de vrijwillige brandweer gezeten.  Overplaatsing naar Terneuzen  De oorlog was nog niet begonnen en het was in 1940 dat er bij het Ministerie een behoefte was om een ambtenaar in  Terneuzen te plaatsen. Ik was toen al verloofd. Twee eerdere verplaatsingen van collega’s gingen om mij niet  medegedeelde redenen niet door. Ik mocht, en had geen reden om te weigeren, ook niet de situatie van mijn verloofde.  Ik was nog niet getrouwd. Mijn baas zei: “laat die knaap maar gaan hoor”. Kijk, velen wilden niet naar Zeeuws-  Vlaanderen toe, in verband met o.a. de spraak. Ik moest in drie dagen van Rotterdam (ik kreeg donderdagmiddag bericht  dat ik me maandagmorgen in Terneuzen moest melden) naar Terneuzen. Eigenlijk vond ik het wel onmenselijk dat  iemand in zo’n korte tijd overgeplaatst kon worden. Dat betekende dus voor mij, ik was lid van een korfbalvereninging en  andere organisaties, alles wat je deed raakte je kwijt. Ik was heus niet in een leuke positie en ik vond het helemaal niet  leuk. Maar goed, je moet. Ik was nog jong (23). Ik ging weg als schrijver 2e klas. Terneuzen moet schijnbaar erg onthand  gezeten hebben.