Home Home Terug naar familiegeschiedenis Terug naar familiegeschiedenis
Mijn tijd in Terneuzen  Als ik er met zo’n gezicht was gekomen (gehumeurd), en ik had me niet positief opgesteld, ik kende Terneuzen helemaal  niet (ik ben er nog nooit geweest, in heel Zeeuws-Vlaanderen niet). Ik heb daar dus iets nieuws gezien en ik ben toen  met de trein gegaan, zodanig dat ik daar ’s morgens vroeg, maar toch al rond 11-12 uur met de boot daar aankwam. In  verband met de ijsgang van de Schelde mocht op die dag de veerdienst Hoedekenskerke - Terneuzen voor 't eerst weer  varen. De overtocht van bijna een vol uur was adembenemend. Ik kwam op de kade aan in Terneuzen op maandag 26  februari 1940. Aan een marechaussee vroeg ik de weg naar het Belastingkantoor. Ik moest naar de Markt. Het bleek niet  zover lopen te zijn. Het kantoor zat ergens aan de Markt hoek Burg. Geilstraat. Het kantoor was beneden. In het gebouw  was een hele grote potkachel. Ik ben daar gekomen en ik werd begroet door de heer Westerweel. De heer Westerweel  ging mij voorstellen aan de mensen. En toen gingen ze me allemaal antwoorden in het Zeeuws. En dat is natuurlijk een  heel gekke gewaarwording. Het bleek alleen maar een beetje een plagerij te zijn. En dat had ik al gauw door.  Ze hebben  er flink om gelachen dat ik er niks van verstond. Ze dachten dat is weer zo’n Hollander die wel hoog van de toren zal  blazen, maar dat was niet zo. Maar ik heb er een pracht tijd gehad. Met behulp van een collega is er in het centrum van  Terneuzen naar een kosthuis voor mij gezocht. Er was er eentje in de Lange Kerkstraat. Het was een gelovig gezin. Een  paar oudere mensen met nog een kostganger in huis, een jongen, die moest de bijbel altijd voorlezen. Een keer werd mij  gevraagd of ik dat een keer wilde doen en toen heb ik op een gewone manier verteld wat er in de bijbel stond. En dat  vonden ze zo mooi dat ze vroegen of ik dat vaker wilde doen. Ik zei dat het niet mijn taak was en dat ik niet van dat  geloof ben. En dat werd gewaardeerd. Maar het mooie was, op de eerste dag dat ik er kwam, toen we aan tafel zaten, en ik zag dat de klok stil stond. Ja, die was kapot, zeiden ze. Het was een slinger-uurwerk. En toen zei ik: “mag ik er eens  naar kijken”? Nou, in het plat Zeeuws zeiden ze dat het wel mocht. Ik heb de klok bekeken en gerepareerd, weer  opgehangen en toen liep hij weer. En daar kwam wat ik geleerd had van een klokkenmaker collega in Rotterdam goed van  pas. Ik heb later nog veel klokken en horloges, vooral zakhorloges, gerepareerd.   Ik heb gezegd dat ik niet al te lang in de kost wilde blijven, want ik was al verloofd en wilde gaan trouwen. Ik vroeg dus  of ik ergens kon nagaan of er woningen leegstonden. Ik kreeg het adres van Littooy door, dat was een boekhandel in het  centrum van Terneuzen, en die was eigenaar van een rijtje woningen. Daar heb ik gevraagd of er nog lege woningen  waren. Ja, in de Dokweg is er nog eentje leeg. Ik kreeg de gelegenheid om er te kijken en die beviel me wel. De  buitenmuur was alleen nog niet afgewerkt (er zou nog een woning aangebouwd worden, maar daar is het nooit van  gekomen). Ik kon de woning ‘krijgen’. Dus heb ik meteen een brief gestuurd naar ma in Rotterdam met het verzoek: “wil  je met me trouwen?” Ik kreeg een snel antwoord terug met en hartgrondig “Ja”. Dus zei ik: “ga dan meteen aantekenen,  dan doe ik dat ook”. Ann is zich toen gaan aanmelden in het stadhuis van Rotterdam en ik op het stadhuis van Terneuzen. Later bleek dat ik me 1 dag eerder had aangemeld dan ma.   Ik kreeg een plaats waar ik mijn werk kon doen en dat heb ik vele jaren gedaan, maar niet steeds op dezelfde plaats. Ik  ben daar nog schrijver 1e klas geworden. Later, in 1944, zijn we verhuisd van de Markt naar de Burgemeester Geilstraat.  Daar was centrale verwarming. De inspectie was op de eerste verdieping gevestigd. In het pand aan de Burg. Geilstraat  zat voorheen de Kamer van Koophandel. Ik was daar dus eerst nog als Adspirant Ambtenaar, later (na de oorlog) als  Adjunct-Commies werkzaam. Er werd ook een nieuw Belastingkantoor gebouwd en dat kwam aan de Axelsestraat. En dat  gebouw moest toen ingericht worden en daar heb ik toen ook over mee kunnen praten. Na de oorlog ging ik met mijn  baas (commies) op onderzoek in plaatsen in de omgeving (Hulst, Zaamslag, Sas van Gent, Axel enz.) . Daar heb ik ook  leren biljarten. In de pauze kon je geen onderzoek doen en dan gingen we eten in een café. En daar heb ik menig balletje  gestoten. We hebben er een bierfabriek en twee suikerfabrieken bezocht. In de bierfabrieken controleerden wij de grote  ketels, maar bier heb ik er nooit gedronken. En alles deden we op de fiets. Ik moest daar de verwerking in de kohieren  controleren. Het waren een soort systeembezoeken over de vervaardiging van het product. Huwelijk en verhuizing  Als huwelijksdatum hadden we 17 april 1940 in Rotterdam vastgesteld om, ik dacht, 11.00 uur. De getuigen waren Ali en  Arie. Ali is mijn zus en Arie haar man. Aan Arie heb ik mijn fototoestel gegeven en gezegd: “knippen”. Hij heeft er  maar  eentje gemaakt, en dat was nog een slechte ook. Mijn schoonouders zijn helemaal overgekomen uit Limburg. Het jongere  zusje van Ann, Wil, was er ook bij.  Ze is 8 jaar jonger dan Ann. Ze was zelfs jaloers dat Ann ging trouwen. We zijn daar  getrouwd met 3 stellen tegelijk. Dat heette een “net huwelijk”, want ergens anders ging het bij de grote massa in de zaal  met meerdere stellen. Hier onze trouwfoto.  Er was 1 paar waar zichtbaar was dat de vrouw al zwanger was. Wat blijkt nou, en dat is nou het frappante aan het hele  geval, Edith is getrouwd met Dick Vervorst. En Dick kwam tot de ontdekking dat hij een neef had in Zeeland. En die neef  uit Zeeland bleek dus uit het huwelijk te zijn gekomen van een huwelijkspaar dat op 17 april 1940 was getrouwd in  Rotterdam. En toen zei ik: “verrek nog aan toe, dat moet deze man zijn geweest”. En dat bleek ook inderdaad juist te  zijn. De vrouw die daar zwanger was is dus de moeder van de neef van Dick (zij was zwanger van die neef). Volgens pa is  het een neef. Want de echte vader van Dick heeft hij nooit gekend, die is ‘m gepiept. Het is grappig te weten dat je eigen dochter getrouwd is met ene Dick Vervorst, waarvan blijkt dat de ouders van zijn  neef gelijktijdig met ons trouwden. Kijk, de vader van Dick heeft in Rotterdam gewoond. Ik heb later in de krant, toen  nog Het Vrije Volk, gelezen dat hij overleden was. En toen heb ik Dick nog gewaarschuwd, moet jij daar nog naar toe in  verband met een eventuele erfenis. Maar dat heeft Dick niet gewild. Hij heeft zijn vader ook nooit meer gezien.   In de middag van 17 april 1940 hebben we ons huwelijksfeest gevierd ten huize van mijn ouders aan de  Mathenesserdijk 24 B 3 hoog. Er waren familie en bekenden aanwezig. Ook was er een vertegenwoordiger van de  korfbalclub van Rotterdam.  Om 19.00 uur namen we de trein uit Rotterdam richting Goes. En vanuit Goes namen we het laatste treintje naar  Hoedekenskerke. Deze gaf aansluiting op de boot naar Terneuzen. De boot wachtte keurig op het treintje en ging niet  eerder weg. Het gevolg was dat we pas rond elf uur ‘s avonds met de boot aankwamen in Terneuzen. En daar stond  iemand op de kade te wachten. En dat was het mooie van de hele zaak. Die man stond daar met een fiets. Wij stapten  van de boot af en hij had direct in de gaten dat het een net gehuwd stel was. Kijk, we hadden een koffer bij ons. Hij  vroeg ons “waar moet u heen?” (op zijn plat Zeeuws) . Ja, naar de Dokweg, zei ik. “Zal ik de koffer overnemen op de  fiets?”, vroeg hij. “Alsjeblieft”, zei ik, het was een grote zware koffer. Toen zijn we, er was uiteraard geen ander vervoer,  lopend naar de Dokweg gegaan. Dus over het Marktterrein, de brug over, de hele Axelsestraat tot de laatste bebouwing  en daar rechtsaf, naar beneden de Dokweg in. En daar lag die woning, die inmiddels ingericht was. Hierbij had ik hulp  gehad van mijn zus Ali en Ann. Het meubilair was besteld via een oom van me. Dat hadden we al van tevoren gekocht.  En kan dat geleverd worden voor die en die datum. En hij heeft daar piekfijn voor gezorgd. Allemaal blank eiken  meubilair (zie de foto’s).  Alleen een kacheltje was er nog niet, de rest was aardig ingericht. De man die de koffer op zijn fiets had vervoerd zei op  een gegeven moment: “mag ik u iets vragen?”. “Ja natuurlijk”, zei ik. “Mag ik melk leveren?”, vroeg hij. Wij hebben toen  ja gezegd. En we hebben er nog iets leuks mee beleefd. Want eer je in je bed ligt is het al erg laat geworden. En de  volgende morgen werd er gebeld, zo tegen achten, en ik zei tegen Ann “wie zou er nu bij ons bellen?”. Ik ben toen gaan  kijken en toen bleek het die melkman te zijn. Ik zei tegen hem, “ je bent veel te vroeg”. Hij verontschuldigde zich. En  later op de dag is ie weer geweest. En Ann is er altijd blijven kopen. Zijn zaak had hij aan de Axelsestraat. Ik heb nog wat  vrije dagen gehad in verband met ons huwelijk.