Menu
KORFBAL VERENIGING SPANGEN
Terug naar KV Spangen Terug naar KV Spangen
Vanaf de oprichting
De Geschiedenis De oprichting van "Spangen" vond plaats in een zaaltje aan de Betje Wolffstraat, begin januari 1925. Aanwezig waren drie ouderen, te weten: de heren Baarda, Jac. van Driel en  Van der Most, en een zevental jongelui, onder wie Wim Friderichs, de gebroeders Van Tol en de gezusters Aarnoudse. Met dit troepje werd in het voorjaar van 1925 met de training begonnen op een hoekje grond van het (toen) grote "Vreelust", ongeveer waar nu (1950) de cantine staat. Propaganda in een in onze woonwijk verschijnend blaadje zorgde er voor, dat er weldra een twaalftal bij elkaar was. De OSCR - speler Jaap Smit, toen al bijna veteraan, kon dikwijls de lust niet weerstaan om, ondanks zijn zondagse pak, zijn hoed, zijn manchetten en zijn twee kinderen, een balletje mee te gooien. Ikzelf had in dien tijd de gewoonte, 's zondagsmorgens een straatje om te lopen en ik besloot op een mooie morgen nu eens niet door het hek van "Sparta" te gaan gluren, maar eens naar de korfballers te gaan kijken. Vanaf die dag ben ik "de sigaar". De eerste vriendschappelijke wedstrijden werden dikke nederlagen, en op de eerste seriewedstrijden waaraan werd deelgenomen - die van "Spartaan" ter gelegenheid van het 12 ½ - jarig bestaan - hing de eerste prijs, zoals later veelvuldig het geval zou zijn, te hoog. Vrijwel nooit zijn wij goede serie-spelers geweest, maar dat mocht de pet nooit kreuken, want de reizen waren doorgaans heel gezellig. Beroemd gebleven is de reis naar Santpoort in negentien honderd zoveel, maar 't clubje had zich toen al verder ontwikkeld en Dick den Outer was de gelederen komen versterken. Om eerste-klasser te worden moet men alle rangen doorlopen, en dat hebben wij ook gedaan. Het ging lang niet altijd gemakkelijk. De bodem van Rotterdam's rechter- Maasoever is niet erg vruchtbaar voor het korfbalzaad en de Spangen-bodem maakte daarop zeker geen uitzondering. Wat een tegenslagen en teleurstellingen! De gebroeders van Tol, knapen met een verrassend goede spelopvatting, verlieten ons al betrekkelijk spoedig, de een wegens minder goede lichamelijke conditie en de ander door de liefde. Ja! Die liefde is in de loop der jaren wel een van onze grootste vijanden geweest. Lous van Tol was het eerste slachtoffer, Ans en Bep Vlier zijn voorlopig de laatsten. Daar doe je, zelfs als voorzitter, niets aan. Ik zou echter ondankbaar zijn, als ik de liefde ook niet prees. Lokte Alie van Bodegom niet John Markinot in onze fuik, en lopen er nu niet jonge BloklandjesVan Kleefjes en Quakjes op onze velden rond? Nu ik het woord "veld" gebruik, kom ik meteen op een ander chapiter. Wat hebben we gezworven! Eerst over Vreelust, dan aan het Zwarte Wegje (of heette dat pad anders?). Ik zie er nog Leens Nederlof het veld op huppelen, in de wolken omdat ze van haar moeder mocht gaan korfballen. Maar er was altijd geduvel op dat veld. Als er gespeeld moest worden, zaten de voetballers nog in de keet, en als je klaar was met spelen, kon je je gaan wassen in een greppel, waarvan je 's winters eerst de ijsschollen moest afvissen. Voordat je aangekleed was, stapten dan al weer voetballers binnen (ook in de dameskeet, hoor!). En een modder op dat veld! Vette klonten lagen er bovenop, en hingen aan je schoenen. Gestolen werd er ook, helaas. Tenslotte echter hadden mijn bezoeken bij de R.B.L.O. succes en we kregen een terrein voor onszelf aan de Essenburgsingel. Groot was het niet, maar 70 meter lang, en aan de achterzijde moest je een hoek van het veld in de berm van een sloot leggen om de 30 meter breedte te kunnen halen. Het deerde ons niet. We waren baas over ons eigen speelveld! Dat dachten we tenminste. Maar het bleek weldra, dat we ons vergist hadden. De bespelers van het aangrenzende voetbalveld zetten eerst hun goal een metertje of zo achteruit (ten koste van ons!) en later kwamen er aan die goelpalen nog eens beugels voor het net. Toen het zover was gekomen, hadden wij er genoeg van. De gezellige omgang met portier  Ockerse kon ons er niet toe brengen, langer op ons "akkertje", zoals het gedoopt was, te blijven. We gingen de boer op en huurden een halve hectare weiland, kochten de rechten van de boer af (weet je het nog, Wim Steenbrink?) en togen aan het werk. Met Koos Deering op een zaterdagmiddag een afrastering geplaatst waarbij en passant een 800 m2 terrein méér werd gepikt, en toen aan de slag om een kleedlokaal te timmeren. We leenden het geld (dat we in drie jaar tot op de laatste cent terugbetaalden), we kochten hout, verf, wasbakken, enz. enz., en na korte tijd was een fiks kleedlokaal neergezet, met er achter een pomp en een watertank. Ik zou een blad vol kunnen schrijven over alles wat we met die watervoorziening hebben beleefd, maar er zijn belangrijker dingen. Daar aan de Laanslootseweg heeft "Spangen" zijn "Gouden Eeuw" gehad. Hier waren we werkelijk baas in huis, in eigen huis. We bivakkeerden er hele dagen. Wie vacantie had, oefende of luierde er van 's morgens tot laat in de middag. En 's avonds kwamen er weer anderen, die om tien uur naar huis moesten worden gejaagd. We plantten wilgetakken langs de kant, baggerden de sloot uit, draineerden de kale plakken met puin, teerden het dak van het kleedlokaal. Crama verkocht er ijs, Annie Horstman dook er in de sloot en vader Maissan reed compleet met fiets van de brug, waarna we zijn jas en pantalon in de vlaggestok hesen om ze te laten drogen. Ware korfbalveldslagen werden er in die tijd gestreden, want mak waren we niet bepaald in die dagen, en al strijdende worstelden wij ons omhoog. Totdat de Spaande Polder met modder werd volgespoten. Het Bureau voor de Lichamelijke Opvoeding hielp ons wel weer aan een nieuw terrein aan de Abraham van Stolkweg, later op Vreelust, maar het eigen veld aan de Laanslootseweg zullen we nooit kunnen vergeten. Over veldslagen schreef ik hierboven. Ze zijn er geweest, en veel ook. We lieten ons de kaas niet van het brood eten, en de tegenstanders hadden "Spangen" dikwijls liever op de thee dan voor een wedstrijd ontvangen. Wie meende, ons in een hoekje te kunnen drukken, kwam bij onze dames en heren van een kouwe kermis thuis. Toch konden wij met de meeste clubs behoorlijk opschieten. Alleen met Rozenburg wilde het maar niet boteren. Het leek wel, of de rood-zwarte kleuren iets van dolheid in onze spelers wekten. De waarheid gebiedt mij te zeggen dat de schuld lang niet alleen bij Rozenburg lag, al zag ik dat vroeger ook niet altijd in. Gelukkig is deze tegenstelling de laatste jaren gesleten en mag ik nu beweren dat van onze oude vete niets meer over is. Omgekeerd waren er ook wedstrijden die, Haagse H.B.S. (inmiddels ter ziele) en tegen Deetos. Daar gingen we graag heen, ook al waren we doodsbenauwd voor Oudshoorn en de lange  Klaas Wassenaar bij H.B.S., en voor Gerrit Seits met Traarbach bij Deetos. Tegen die clubs bereikte ons spel een abnormale hoogte, we speelden dan boven "onze stand", maar met Deetos gaven meer voldoening dan een overwinning op T.O.V., en toch was T.O.V. met Paul Lawende in de gelederen ook niet voor de poes. Is het verder niet merkwaardig, dat velen onzer zich steeds zijn blijven interesseren voor het Dordtse Quick, ook al spelen we er nu al enkele jaren niet meer tegen? Die club gunnen wij van harte het eerste - klasserschap (als het maar niet ten koste van ons gaat; ik zou "waar" blijven). Aan de Laanslootseweg begonnen wij ook met juniores. Cor Haanstra, Nic. van der Vlugt en Wim Eyselendoorn waren bij de eersten, die kwamen. Hoewel het junioren-werk dikwijls niet van het prettigste is (de jeugd is té wispelturig en heel wat ouders helpen niet mee, daaraan paal en perk te stellen) ben ik toch nog altijd blij, er de stoot toe te hebben gegeven. We begonnen onze club met het doel, korfbal te spelen voor ons plezier. Tegenwoordig staan we op het standpunt, dat ons doel is, de jeugd van de straat te halen en de jongere zowel als de oudere jongens en meisjes lichamelijk en geestelijk te sterken. Graag had ik aan dit historisch overzicht nog een lijst van namen toegevoegd van hen, die niet alleen van "Spangen" geprofiteerd hebben, maar die de club ook hebben gediend. Gediend met ernst, met toewijding, met overgave. Maar ik zou er niet graag een overslaan, en daarom laat ik het er bij één: Leo Baarda. Zelf heeft hij nooit gespeeld, en toch stelde hij jaren lang al zijn talenten in dienst van "Spangen" zò, dat er thuis wel eens een spaantje af vloog. Maar dat deerde hem niet en mevrouw Baarda kon nooit lang boos blijven. Aan hun beider positieve en negatieve eigenschappen is onze vereniging veel dank verschuldigd. G.H. Rutgers  (Geschreven in De Korf van 1950 i.v.m. 25-jarig bestaan KV Spangen)  ========================================================== Een Rotterdamse stem Het was in 1924. Ik wil niet beweren dat het me lijkt als de dag van gisteren, dat ik in een zaaltje in Spangen als secretaris van de Rotterdamse Korfbalbond tegenwoordig was bij een bespreking, waarop de mogelijkheden van 't oprichten van een korfbalclub onder ogen zou worden gezien. Maar tòch herinner ik me dat nog goed! Baarda was in die dagen wat men noemt een goede kennis van mij en ik had bij hem, voetballiefhebber in hart en nieren en bestuurslid van "De Leeuw van Spangen" belangstelling gewekt, een belangstelling, die hij over wist te planten op de Heer van der Most, eveneens een doorgewinterde voetbalman. Ik was wel een weinig verbaasd, een uitnodiging tot bovengenoemde bijeenkomst te ontvangen, want zijn pogen, om door middel van een buurtblad interesse voor ons spel te wekken, had blijkbaar succes gehad! En zo heb ik dus aan de wieg van "Spangen" gestaan, nu vijf-en-twintig jaar geleden.