Deel 4 Werken in Nederland en Duitsland deel 1
Gezien het vorige hoofdstuk blijkt dat Leo zijn werkzame leven begonnen  moet zijn in 1942, zo rond juli/augustus/september (dit moet ik nog  uitzoeken). Ook hier volgt hij zijn vader en oudste broer Ben en gaat bij de  Belastingdienst werken.  Leo heeft niet lang bij de Belastingdienst gewerkt, omdat de Duitsers  werkkrachten (de zogenaamde Arbeitseinsatz) nodig hadden voor de  fabrieken in Duitsland. Ze zochten hiervoor speciaal ongetrouwde jonge  mannen.  Mijn vader zei tijdens een interview het volgende over deze periode:  Leo werkte na zijn examen HBS op het 3e ont-vangkantoor der belastingen  in Rotterdam West. Hij is daar als ongehuwde jonge ambtenaar door zijn  baas verplicht opgegeven aan de vragende hogere instantie (verplichte  mensenhulp in Duitsland).  Op 6 juli 1943 schrijft Leo een brief, vanuit Kassel, naar de familie Wijnands  in Monster. Daarin vertelt hij wat hij te eten krijgt en geeft hij zijn adres  door en met nadruk zijn nummer 61027. 
Tekst van blz 1 van de brief van 6 juli 1943  Kassel, 6 juli 1943 Beste Alie, Arie en Gezusters,  De dag voor m’n vertrek kwam tot m’n grote genoegen kwam Alie nog even  naar Rotterdam overwippen. Dat vond ik nog eens fijn Alie, en wat je  meebracht kwam goed van pas. Allen, die daaraan medewerkten nog  hartelijk bedankt. Vrijdag ochtend om half twee kwamen we in Kassel aan,  van waar we niet verder naar Frankfurt a/d Main gaan. Gisteren en vandaag  heb ik, op de school gewerkt, die de fabriek (     ) voorafgaat. Een zwaar  werk wat ’t n.l. En hele dag vijlen, echt om blaren van op je vingers te  krijgen. Hoeveel we zullen verdienen is nog niet bekend, veel zal ’t nog niet  zijn. Kantoorwerk wordt minder betaald, fabriekswerk meer. Normaal  werken we van ’s ochtends 7.15 uur tot 17.30 met 1x koffiewater en 1x soep als middageten als onderbreking. ’s Avonds weer soep. Lekker is ‘y over ’t  algemeen niet, zodat velen ’t geheel of gedeeltelijk laten staan, zo dat ik  soms een dubbel portie eet. Als we thuis zo aten, zou ik vast een ander  kosthuis gezocht hebben. Nu zit ik hier en kan niet terug. Zal ik je even ons  rantsoen opsommen, zoals we ’t nu hebben. Daar is ’t dan:  Rantsoen voor 5 dagen  1 brood van  2 kg.   pakje boter stukje worst stukje kaas  Ik zag zojuist bij een jongen een pakje kunsthoning. ’t Is slechts 1 jambon.  Het merk is van Galak en de gewenste smaak is Room Caramel. Zouden  jullie een pakje voor me te pakken kunnen krijgen. ’t Zal worden  terugbetaald. Dat beloof ik, anders vraag je ’t maar aan moe.  De toestand is hier erger dan je kunt vermoeden. Vele nationaliteiten zijn  hier, ook Polen en Oekraïners. Zojuist zijn er een paar Russinnen langs  gekomen, ze zongen werkelijk mooi, maar je verstaat er alleen niets van.  Beste Fam., als er iets over mocht zijn van etenswaar, en je mocht niet  weten waar ;t heen moet, stuur ’t dan gerust naar mij. Mij nummer is  61027; verder adres:  L. Burger  Wohnlager Wartehaus  Kassel Bettenhausen  Barak 3  Kamer 1  Duitsland. 
Jullie ziet dus wel, dat ’t niet al te veel is en dat zuinigheid geboden is.
Tekst van blz 2 van de brief van 6 juli 1943  Wil je direct aan moe schrijven dat m’n nummer 61027 is als ze iets wil  oversturen, met verder adres natuurlijk.  Nu Alie en Arie en Gezusters en overige familie, nog allen achteraf m’n  welgemeende felicitaties met de verjaardag van m’n zus. Vergeef me dat ik  niet meer kan schrijven, want ik ben wat moe.  Ja dat is waar, ’t enige nieuws van hier is dat er in ons kamp ook een paar  uit ’t Westland zijn, o.a. Wim van Spronsen uit Monster. Hij kent jullie ook.  Nu de hartelijk groeten van je broer en zwager Leo.  P.S. Wil je nog eens aan me denken.  P.S. De brieven bestemd voor jullie stuur ik tegelijk naar Rotterdam en  wanneer ze verder naar jullie verzonden kunnen worden. Dat vinden jullie  natuurlijk goed hè want alles is hier erg duur.  Dag Leo
In een brief, die Leo schreef op 7 september 1943, gericht aan mijn ouders  geeft hij aan dat hij al een maand in het ziekenhuis ligt. Hij werd daar  behandeld voor zijn neus. Hij beschrijft dat hij op 30 augustus 1943  plotseling hevige buikloop krijgt. De artsen vermoedden dat hij Tyfus heeft  en Leo wordt overgebracht naar een ander gebouw, waar een speciale  afdeling voor Tyfuspatiënten is gevestigd. Verderop in de brief gaat Leo opeens over op de data 8 en 9 augustus, maar  ik denk dat hij zich hier heeft vergist, aangezien hij in de brief aangeeft dat  hij vermoedelijk net niet zij verjaardag (24 september) net niet thuis zal  kunnen vieren. Trouwens, hij heeft het in de brief ook nog over 29 augustus  1943, wanneer er een onderzoek plaatsvindt.  In de brief geeft Leo gedetailleerd weer welke maaltijden hij in het  ziekenhuis kreeg op 7 en 8 september 1943. Ook is uit de brief op te maken,  dat hij ruim een maand in het ziekenhuis lag op 29 augustus 1943, dus  ergens medio juli 1943 moet hij zijn opgenomen. 
Bladzijde 1 van de brief
Bladzijde 1 Beste Ben en An, Jullie weet reeds, dat ik in ’t ziekenhuis lig, hetgeen al weer ruim een maand is. Ik kan weer lopen en ben daarom direct naar boven in een zaal gebracht n.l. van de neuw-, keel-, en oorafdeling. Ik was er voor m’n neus en oor. Het ging goed met beide, totdat ik erge buikloop kreeg. De zuster van die afdeling meende stellig, dat ik typhus had, dus ik werd naar de typhus afdeling gebracht en ’t huis ernaast. Hier lig ik nu 9 dagen en ’t bevalt me hier uitstekend. De eerste dagen (4 à 5) was ’t tamelijk strenge dieet, nu ben ik weer zover, dat ik, lichtkost krijg wat middageten betreft en zwaar wat brood aangaat. Straks daarover meer. 2 September werd ’t eerste onderzoek naar typhus ingesteld. Resultaat: in stoelgang en urine geen termen voor typhus aanwezig, in bloed van geen belang.  Driemaal zo’n uitslag en ik wordt ontslagen van deze afdeling, maar zie, ’t laboratorium wordt verplaatst, zodat de twee volgende onderzoekingen pas later plaats zullen vinden, a.s. vrijdag gaan ze weer verder. Ik had een kleine hoop op
Bladzijde 2 M’n verjaardag thuis te kunnen zijn, nu zal ’t echter later worden. Ik moet eerst nog op de vorige afdeling terugkomen voor m’n neus, die nu volgens mij zo goed als beter is. De dokter van de vorige afdeling had gezegd, dat ik veel te slap en mager was. Ik moest van hem flink eten, hetgeen ik op de oorafdeling ook kon doen, als er genoeg middageten was. Toen kwam echter de buikloop; ik liep helemaal leeg. Toen kreeg ik op de andere afdeling dieet. Jullie kunt begrijpen dat ik telkens weer honger had. Haverpap met water en alleen maar ’t dunne ervan en Zwiebäcke (sterk geroosterd klein witte brood, harder dan beschuit) kreeg ik een paar dagen achtereen. Daarna kreeg ik beter eten, ik kreeg soep, haverpap en zacht geroosterd wittebrood met kwark. Het ging met ’t eten steeds beter. Ik mocht weer boter hebben en wat fruit. Zondag zelfs een ei gehad. Iedere dag is voor mij iets nieuws. Op ’t laatst kreeg ik ’s ochtends 6 witte broodboterhammen; de ene helft met kwark, de andere helft met boter. Al die tijd eet ik vijfmaal per dag. Wil jullie weten, wat ik vandaag gegeten heb, raadpleeg dan ’t andere velletje papier. Neem een stoel en hou je vast. Daar gaat ie:
Bladzijde 2 van de brief
Menu Ga naar deel 2 terug naar familiegeschiedenis