Home Home Terug naar familiegeschiedenis Terug naar familiegeschiedenis
Oorlogstijd  Kort na het begin van de oorlog werd ik benoemd tot schrijver 2e klasse.  In 1941 werd de Loonbelasting ingevoerd. Met Frans Blaas moest ik samen trouwboekjes gaan bekijken of de wet op de  Loonbelasting goed werd nageleefd. Het ging hier om de gezinssamenstelling te achterhalen en soms hebben we hartelijk  zitten lachen. Want je kon zo zien dat kinderen wel eens ‘te vroeg’ zijn geboren (moetertjes). Volgens mij zijn we eind  1944 of daaromtrent verhuisd van de Markt naar de Burgemeester Geilstraat. En de Burgemeester Geilstraat had een  soort van centrale verwarming. Wij hadden voor ons de hele bovenverdieping, maar het was niet groot. Ik werd in die tijd  wel eens met commiezen weggestuurd, met de fiets of met het trammetje, met dhr. Heideman (hij had me na de oorlog  ook lid gemaakt van het Humanistisch Verbond) voor een controle Loonbelasting. Er moest bij de bedrijven worden  nagegaan of de Loonbelasting goed werd verwerkt. Ik mocht dan ook de stukken bekijken en de foutjes eruit halen.  Ambtelijk was de oorlogstijd een rustige tijd. Ik werd gelukkig niet opgeroepen voor Duitsland, omdat ik getrouwd was.  Mijn broer Leo werkte na zijn examen HBS op het 3e ontvangkantoor der belastingen in Rotterdam West. Hij is daar als  ongehuwde jonge ambtenaar door zijn baas verplicht opgegeven aan de vragende hogere instantie (verplichte  mensenhulp in Duitsland).  Nadat we getrouwd waren en pas onze intrek hadden genomen op de Dokweg, wilden we weten of er een  korfbal-vereniging in de buurt was. We hebben hierover geïnformeerd. Er was al een korfbalvereniging geweest, maar die  is financieel kapot gegaan. Iemand verwees ons naar iemand van die oude korfbalvereniging. We hebben met de eerste  de beste van die korfbalvereniging gesproken. We dachten eerst dat we een korfbalvereniging hadden gevonden, maar  dat bleek niet waar, want die was opgeheven. En hoe komt dat? Ze hadden een schuld aan de Korfbalbond. En toen heeft de Bond ze geroyeerd. En dan is het moeilijk, de oorlog was net begonnen. Hoe konden we die korfbalvereniging weer  herstellen? Zouden wij nog genoeg mensen kunnen krijgen? En zo hebben we dus via mensen die daarmee bekend  waren, en Ann ook, gevraagd: wie hebben er gekorfbald? Weet je dat? En zo zijn we aan een aantal adressen gekomen.  En wat bleek, dat deze mensen best weer zin hadden, het waren ook nog jonge mensen, om weer te korfballen. Ann  heeft zo 5 dames weten te charteren en ik 5 heren. En die vonden het prettig om het weer te doen. Dat was het moment  dat de strijd is begonnen met de Bond, de Zeeuwse Korfbalbond. En die zei mij dat verschillende mensen geroyeerd  waren in verband met schuld. Als wij eerst de schuld betaalden dan was de Bond akkoord. Ik zei toen, ik kom uit  Rotterdam en wil hier een korfbalvereniging beginnen, maar ik ga geen schuld betalen. Wat is jullie belang, vroeg ik hen.  Hebben jullie belang bij een korfbalvereniging, die goed geleid kan worden, ja of te nee? En zeg je ja, dat die paar  mensen die erin zitten, die een stukje schuld hebben, dat laat je maar zitten. En een nieuwe vereniging is dan toch  belangrijker. En dat hebben ze in Middelburg geslikt. (Pa heeft nog een foto van, waarop hij staat met de andere  korfballeden. Ma zou er misschien ook op staan).  We zijn dus gaan trainen en hebben de club een naam gegeven, Luctor. Eind 1940 hebben wij de nieuwe vereniging aangemeld bij de Korfbalbond en gezegd dat wij mee gaan doen met de  competitie. Het was precies 1 ploeg van 6 dames en 6 heren. Er waren in het begin nog geen reserves. Die kwamen later.  Want als je speelt komen er altijd wel mensen kijken en die worden dan lid.   Dus we zijn aangemeld en we worden ingedeeld in de competitie. Vanaf 1 januari 1941 werden we officieel bij de bond  aangesloten. In de loop van 1941 zijn we ingedeeld in de lage klasse van de wedstrijd competitie. We moesten regelmatig  de Westerschelde over, dat kon toen gewoon, want er gebeurde niet veel meer, alleen aan het begin en aan het einde van de oorlog. We spraken iemand uit Zaamslag. Daar was eerst ook wel een korfbalvereniging, maar er waren nooit  tegenstanders. In het begin waren we zo vrij geweest om op een HBS terrein te gaan trainen. En in de eerste jaren, in bezettingstijd,  hebben we in stijgende vorm gespeeld. Ja dat is heel leuk geweest, maar ja zo af en toe uitval, omdat er een kind  geboren werd. Kijk het verenigingsleven vanaf 1940 bloeide. Er waren twee toneelverenigingen daar. We hadden een korfbalvereniging,  uiteraard. Verder hadden we nog fotografie en schaken. Ik heb geschaakt in de schaakvereniging daar. Dat is niet zo lang  geweest, want ik had niet zo’n zin om steeds ver weg te gaan. Dat was meestal ’s avonds. En dan gingen we met een  klein straaltje licht (naar beneden) over straat naar huis. Soms was het bij mij thuis of bij Van der Staal (die woonde een  eindje verder). En moeder de vrouw was altijd thuis. Ik heb geschaakt, en vrij aardig geschaakt. En aan het actieve leven  van de politiek heb ik ook meegedaan. De vakvereniging lag in de oorlog op zijn gat.   Ook is in de oorlogstijd de fotoclub Het Kiekkastje opgericht. Dit is gebeurd met een aantal mensen die fotografie ook als  hobby hadden.  In de avond was het niet mogelijk een bijeenkomst te organiseren van politieke aard.  Op zolder had ik een kristalontvanger gebouwd, waarmee ik berichten uit Engeland kon ontvangen van Devontory. En als  de Duitsers dus kwamen en vroegen, heb je een radio-toestel?, dan zei ik: ik heb geen radiotoestel. Maar ik had er wel  eentje, op zolder. Ik weet wel, dat Leo, toen die bij mij kwam te logeren, die had een hele vracht papier. Ik was ook de  man die regelmatig berichten schreef voor de Korfbalbond. Op zolder had ik een soort stencilmachine. En in die machine  had ik de radio ontvanger gebouwd, niet zichtbaar. Als ze het ontdekt zouden hebben was ik de pineut geweest, want  radio’s waren verboden. Radio’s moest je inleveren. De Duitste berichtgeving werd via distributie ontvangen, via kabel.  Dat was gewoon de Duitse propaganda. Je sprak er niet over met de buren. Ik heb toen ook geleerd hoe gevaarlijk een  buur kan zijn. Want één van die buren heeft Leo later verraden. Dat was de moeilijkste tijd voor ons geweest. Ma was lid van de huisvrouwenvereniging (plattelandsvrouwen). En ook was ze lid van de Rode Vrouwen van de Vak-bond  NVV. Ook ik was lid van de NVV. Mijn lidmaatschapskaart had ik nog bewaard.  Maar kort na ons huwelijk, in mei 1940, brak de oorlog uit. ’s Morgens op de 10e mei was er een soort alarm geweest in  Terneuzen. En even later werd er gebeld in het nachtelijk uur, zo rond 4 uur, half vijf. Het was iemand op een  motorfietsje. Ik moest mee met hem. Het bleek later waarvoor ik mee moest. Hij reed naar het centrum van Terneuzen,  daar was het ontvangkantoor. En op dat ontvangkantoor werden mij 90 harde guldens uitgeteld, waar ik voorlopig van  bestaan moest, want het was oorlog. En toen werd ik met dat motorfietsje (een Sparta) weer teruggebracht. Dat  Spartaatje, vreselijk, je werd door elkaar geschud, helemaal geen vering of zo.   Maar toen ik heen ging werd er in de buurt gedacht: die is opgeroepen. Ze dachten dat ik de dienst in moest. Dat jonge  stel, dat vonden ze zo vreselijk. En Ann wist ook niet wat er gebeurde. En toen kwam ik terug en ik zei:”Ik heb 90 gulden  ontvangen om de eerste maand door te komen”.  In die eerste dagen van de oorlog heb ik een aantal dagen een soort dagboekje (op een enveloppe) bijgehouden. Daaruit  blijkt dat het voor Zeeuws-Vlaanderen langer geduurd heeft voordat de Duitsers dit in handen hadden.  In het begin van de oorlog hebben we nog Duitse militairen ingekwartierd gehad. De eerste die kwam ergens uit de buurt  van Berlijn vandaan (een echte Pruis). En later kwam er een ander uit Beieren. Je werd gewoon verplicht zo’n militair in  huis te nemen. Kijk, de Duitsers wilden naar Engeland toe. En dan werden mensen daar al onder gebracht bij de burgers.  Die eerste was die Pruis waar Ma zich soms flink aan heeft geërgerd. Hij had een prachtmethode hoe je moest schaken  op een dambord. Ik heb het hem ook verteld dat dat niet kon. Ik zei tegen hem dat hij het bord moest omdraaien. En  dan komt zo’n soldaat binnen, gooit een zak snoep op tafel en zegt:”greifen Sie zu, greifen Sie zu”. Maar ma was toch al  vrij stil en moest daar niks van hebben. Die moest al helemaal niks van die vent hebben. Hij is gelukkig maar kort  ingekwartierd geweest. Na een paar maanden kwam hij langs bij ons aan de deur en toen zei hij: “ Ik ben er weer”. En  toen had ma gezegd: “kom je terug uit Engeland”? Nou, dat vond ie helemaal niet leuk.    En in die oorlogsjaren leerde je de mensen en de buurt goed kennen. Je praatte met elkaar, je deed dingen met elkaar. Ik  weet nog wel dat we een soort schuilgelegenheid hebben willen maken, maar daar is het niet van gekomen. Kijk het was  monnikenwerk, het was vaak niks, maar je had steeds die angst als de vliegtuigen overkwamen. In die eerste dagen  werd er bij Sluiskil gebombardeerd. Er was een bedrijf (De L’azote (azote is het Franse woord voor stikstof)) dat  uitgeschakeld moest worden. Het was een speciaal soort buizenfabriek . Deze hebben ze getracht weer te herbouwen  maar werd weer platgebombardeerd (via Google heb ik dit gechecked en daar bleek dat de Engelsen dit gebombardeerd  hebben; het staat beschreven als een cokesfabriek (Mijn zoon Adri weet te vertellen dat een onderdeel een stikstof  bindingsbedrijf was, waar kunstmest werd gemaakt en buskruit, nitraten en zo)). Ik draag nog een zilverachtige ring die  er ook gemaakt is. Het is van een speciale legering, dat zo hard als staal is en vrij van zuren (zuren kun-nen dit materiaal  niet aantasten). En mensen die er gewerkt hadden maakten er toen ringen van. “Ik heb nog eens geprobeerd mijn naam  erin te laten zetten, maar dat ging niet, zo hard is het materiaal”. Ik denk dat het Avesta of zoiets is, maar ik weet het  niet meer zeker. Na de oorlog ben ik er nog wezen kijken. Ze lieten me daar zien wat er gemaakt werd en ongeveer hoe.  Maar exact weet ik dat niet meer. Op zich hebben we het niet echt moeilijk gehad in de oorlog. Via een collega kreeg ik een boer toegewezen, boer  Dieleman, waar ik eieren, boter en graan kon krijgen. Meestal moest dat in de avond of nacht, met mijn fietsje met een  naar beneden gericht spleetje licht. Ja, je mocht geen licht voeren als het donker werd (mijn fiets is nog in beslag  genomen door de Duitsers; ik heb toen een brief aan de burgemeester geschreven). Het was tegen gewone prijzen dat ik  de etenswaren kon kopen. Het was een jonge boer, die tegen Sluiskil aanwoonde. Ma had een klein oventje, waar ze  precies een brood in kon bakken.  In 1943 werd een kind geboren (Adri). De beslissing die je neemt als man en vrouw. Het was in 1942, ik werkte en was  veel weg. Voor vrouwen was er nauwelijks of geen werk en ma zat daardoor de hele dag thuis. Ze heeft het nog  geprobeerd om werk te vinden, maar dat lukte niet. Ze is wel in de oorlog lid geworden van de Vrouwenbeweging. Door  de oorlog lagen ook nog eens de activiteiten van veel verenigingen op een laag pitje. Dat werkte de verveling in de hand.  Ze had wel aanspraak met een oudere buurvrouw op huisnummer 11 (fam. de Koker).   We hadden bij het begin de afspraak gemaakt dat, zolang de oorlog duurt, nemen we geen kinderen. Ann zei op een  gegeven moment: Ik wil een kind (midden 1942). We gingen dus na wat kunnen we doen? Ma heeft zich dat bewust in  een vraag gesteld. En ik heb toen ja gezegd. En dan fiets je een kind bij elkaar! Nou dat kind werd geboren op 31 maart  1943 op de dag van het bombardement op Rotterdam-West. Dat merkte ik dus daarna. Toen hoorde ik van mijn ouders,  rond de tijd dat het kind geboren werd, werd bij ons Rotterdam West gebombardeerd. Bij de Mathenesserweg was een  heel gedeelte weg. Moet je nagaan hoe dicht dat bij ons huis vandaan was. Het was een moeilijke bevalling en Adri was  een stevige baby. Precies tegenover ons huis aan de Dokweg woonde de familie Kahn. En daar konden we het goed mee vinden. We  kwamen er regelmatig op visite. Maar op een avond, het was al tegen het einde van de oorlog, kwamen we terug in huis  en bleek Adri van de trap te zijn gevallen. Vanaf dat moment zei ma dat ze dat niet meer zal doen, om een kind alleen  thuis te laten. Mijn broer Leo is vanuit Rotterdam verplicht geworden om naar Duitsland te gaan om te werken. Dit moet ergens in  1942/1943 zijn geweest. Daar is hij geweest in Kassel. Daar werkte hij in een vliegtuigfabriek. Maar hij werd ziek in  Kassel. Het bleek later dat hij tyfus had. In die tijd dat hij in het ziekenhuis lag werd Kassel gebombardeerd. Dat waren  de eerste zware bombardementen van de Engelsen en Amerikanen met 1000 bommenwerpers. Tijdens dit bombardement  is oom Leo toen naar de kelder van het ziekenhuis gebracht. Hij heeft mij, later, nooit echt verteld wat er daar gebeurd is. Hij weet alleen dat het verschrikkelijk geweest is. (Tussen oude foto’s en brieven troffen we nog een brief van oom Leo,  die hij schreef vanuit Kassel) Na het bombardement is hij met "Urlaub" gestuurd naar Rotterdam. Daar is hij een paar  weken gebleven. Daarna moest hij eigenlijk weer terug naar Duitsland. Ik zat in Terneuzen. En op een gegeven moment  stond hij ’s avonds voor mijn deur. “Mag ik binnenkomen”?, vroeg hij. Toen heb ik hem gevraagd “wat wil je”? “ja, ik wil  niet terug naar Duitsland”. Ik zei toen: “dat betekent dat je niet naar buiten mag”. Dat was ergens in 1942. Zijn haar  groeide weer, dit was door de ziekte flink uitgedund. Hij is wel een keertje ’s avonds mee op visite geweest bij mensen  die het wisten. En of dat voor later heeft meegespeeld, dat weet ik niet. Het hoeft er maar eentje te zijn die ergens  anders loslaat van: daar zit een onderduiker. Dat weet ik niet, dat durf ik ook niet te zeggen.  En toen is hij op een  gegeven moment kennelijk verraden. Ik weet wel, het was eind najaar 1943, dat op een nacht, om een uur of twaalf, er  werd gebeld. Noot: Adri weet zich nog te herinneren dat er een foto moet zijn dat hij als baby in de armen van oom Leo ligt. Dus hij  heeft Adri nog gekend.  Wij lagen op bed. En toen moest ik halsoverkop naar beneden toe, gauw in de broek geschoten. Het waren NSB’ers. En  de leider, de naam weet ik niet meer (wel een Hollandse naam), kwam mijn broer halen. Leo heeft nog geprobeerd om  via het dak te vluchten. Maar dat kon niet, want achter stonden ook NSB’ers te wachten. Het was een hele groep die daar kwam. Ze durfden het niet alleen te doen. En toen heb ik gevraagd: “waar gaat hij naartoe”? “Naar het politie-bureau”. Ik  vroeg: “mag ik dan mee”? Dat kon, ik werd later ook weer thuisgebracht. Ik weet nog wel dat 1 man ’s nachts de wacht  had op het politiebureau. En op dat politiebureau heb ik gevraagd: “mag ik even praten met mijn broer”? Ja hoor, dat  mocht. Dus ik heb met hem een heel gesprek gevoerd precies wat we zouden zeggen als we een onderzoek kregen. En  dat die dingen klopten met elkaar. En dat gold ook voor een deel over het voedsel. Heel belangrijk is het voedsel. Niet  een plakje ham of iets dergelijks, nee, maar brood. Dat is een belangrijk voedsel wat in een gezin nodig is om te leven.  Er mocht niet uitkomen dat we extra voedselbonnen kregen. En ik heb toen verklaard, dat ik dat kreeg van een gezin met  7 (of 9) kinderen. En die hadden dat voedsel. Die hadden kinderen, oplopend van jong naar ouder. Het was een  betrekkelijk jong ambtenarengezin, de Bree geheten. Dat heb ik toen verteld toen ik werd opgeroepen, een paar dagen  later, door een Duitse officier, die de leiding had in Terneuzen. En daar werden vragen aan mij gesteld. Daar zat je aan  een tafel, voor hem lag een pistool en ik zat aan de andere kant. En daar werden die zelfde vragen gesteld van: “hoe  komt u aan het eten”? Toen heb ik dat verteld van die 7 (of 9) kinderengezin. Ik heb later, toen ik op kantoor kwam, heb  ik verteld aan die man (de Bree) dat ik hem genoemd had als leverancier van broodbonnen. Die man scheet bijna in zijn  broek. Ik zei: “als je dat maar verteld is er niks aan de hand”. Het is hem nooit gevraagd. Ik weet nog dat ik tegen die  officier gezegd heb “ik heb het van die en die, daar woont hij, ga het hem maar vragen”. Met andere woorden, dat klonk  zo overtuigend dat deze officier het zo gelaten heeft. En allemaal in het Duits. In mijn beste Duits heb ik dat toen  gedaan. En hij heeft even gedreigd dat ik zo naar Duitsland gestuurd kon worden. Eerst heb ik hem verteld dat Leo mijn  enige broer is. Dat hij dus ziek vanuit Duitsland naar Nederland is gekomen en dat hij het bombardement op Kassel heeft  meegemaakt en eigenlijk niet meer terug wilde. Nee, nee, zei de officier dat kan zomaar niet, hij had gewoon terug  moeten gaan. En ik maakte me strafbaar in het feit dat ik hem onderdak verleende. Ik zei: “dit is mijn enige en jongere  broer, wat zou u doen in dit geval”? Daar bleef hij het antwoord op schuldig. En ik heb ook nog gezegd: “ik ben  ambtenaar, in dienst van de Nederlandse Belastingdienst, dus eigenlijk in een dienst waar jullie mee te maken hebben dat  het bestaat. Maar dat is terloops geweest. Ik mocht niet weg, ik moest beschikbaar blijven, ik mocht Terneuzen niet  verlaten (Het vreemde is dat ik twee reisvergunningen heb van ma en pa dat zij in juli 1944 mochten reizen naar  Limburg). Ja, je kunt je voorstellen een paar dagen later waren we weg. Met de boot en de trein, en die trein moest nog  stoppen in Brabant voor een luchtaanval. En zo zijn wij dus naar Zuid Limburg gekomen en daar heb ik dus bij mijn  schoonouders gezeten. Niet echt lang, ik ben er maar een korte tijd geweest. Adri is ondergebracht bij de familie Wolfert.  En toen zijn we teruggegaan. Toen dachten wij, nou kan het wel weer. Het is een kwestie van ongeveer twee weken  geweest. Ik weet wel dat het verblijf, dat ik dus weggeweest was, was op kantoor begrepen. Ze wisten dat ik door dat  verhoor het nodige te verwerken had. Ik heb er verder geen last meer mee gehad tot de bevrijding kwam. En de  bevrijding heeft verschillende facetten gehad. Maar ik kan wel zeggen dat de bevrijding ervoor zorgde dat dat muisje nog  een ander staartje heeft gehad. Ik heb nog een brief van “Toetie” Brinks aan oom Leo, die eind 1943 bij pa aankwam. Leo heeft deze nooit ontvangen.  “Toetie” woonde aan de Mathenesserdijk 38. Volgens mij is oom Leo eerst in een Nederlands kamp geweest (inmiddels  weten we dat dit Kamp Amersfoort is geweest), daarna ergens in West Duitsland (Neuengamme) en tenslotte in Bergen-  Belsen, waar hij begin maart 1945 is omgekomen. Zie voor meer details de geschiedenis van mijn oom Leo.  Tegen het einde van de oorlog hebben we 2 mensen in huis gehad, die later krijgsgevangen zijn genomen. Het waren 2  onderofficieren (Feldwebels). Ik weet nog dat na de invasie (landing) in Normandie deze twee Feldwebels  (onderofficieren) lopende van Normandie naar Terneuzen zijn gekomen.  Langs de kust. Ze waren waarschijnlijk uit hun  regiment weggelopen of hun regiment was totaal uit elkaar geslagen. Ik kwam ze tegen op de Axelsestraat hoek Dokweg  (het was ongeveer 2 weken voor de bevrijding). Toen vroeg er mij eentje: “Können Sie mir sagen wo die Schelde ist”?  Toevallig vlogen toen net 2 vliegtuigen, Engelse Typhoons, richting Schelde doken omlaag enz. Ze begrepen dat het  gevaarlijk zou zijn. En ik vertelde hen dat de rivier de Schelde daar veel te breed is (die is 5 km breed daar) om zo maar  over te steken. Ze zochten eigenlijk onderdak. Het was overdag dat ze daar liepen. Ik gaf ze weinig kans dat dat zou  lukken. Ze konden het allicht proberen bij boerderijen in de buurt, maar ik gaf ze weinig kans. Ik zei in mijn beste Duits:  “in het ergste geval, als het niet lukt dat ze dan daar en daar (ons adres Dokweg 9) langs konden komen”. Rond half negen, negen uur (het was inmiddels donker) kwamen ze inderdaad langs en vertelden dat ze geen onderdak  hadden kunnen vinden. Zonder vragen heb ik ze binnengelaten. En daarna zijn we gaan praten. Ik vroeg hen, “wat willen  jullie”? “Ja, hier blijven”, zeiden ze. Ik zei dat het kon, maar dat ze absoluut niet naar buiten mochten. De mensen in de  straat hebben die weken niet geweten, dat er Duitsers bij ons in huis waren. Daar kon je anders flink last mee krijgen. In  de brandgang, even verderop, stond afweergeschut van de Duitsers. De een was een heel aardige man uit Stettin (die  was getrouwd) en de ander was een man uit de wetenschap. Die had scheikunde gestudeerd en werkte in het duitse  industriegebied (West Duitsland) (waarschijnlijk Oberhausen) . Daarmee heb ik maar heel even contact gehad na de  oorlog. Ma had een pan met water opgezet op haar fornuisje zodat de twee zich konden wassen. In de keuken. En wij  zaten in de woonkamer te wachten. Pas tegen een uur of elf kwam pas de eerste terug, de oudste uit Stettin. En de  tweede kwam er kort daarna. Het waren geen soldaten meer, maar gewone mensen in burger. De wapens die ze hadden  (een Seitengeweer en een (Belgisch) FM-pistool) hadden ze al eerder bij mij ingeleverd. Dat Seitengeweer heeft een  soort dolk en die heb ik, denk ik, nog in de kast liggen. We hebben tot diep in de nacht zitten praten. Gewoon gepraat als  mens tegenover mens. We praatten over gewone huiselijke zaken. Niet als vijand tegenover een andere vijand. Ja, dat is  een tijd geweest dat ik de menselijke waarde heb leren kennen van dit soort mensen. Het waren niet allemaal beesten  geweest. En toen zijn we gaan slapen en ik zei: “morgen praten we verder”. En dat is het punt geweest dat er een vertrou-  wenspositie kwam tussen twee Duitsers en twee Nederlanders. Want dat is een vertrouwen. Ik speelde met mijn leven en  zij speelden ook met hun leven. Wij/zij zouden zo neergeschoten kunnen worden.  Dat was dus nog voordat Terneuzen  werd bevrijd. En Terneuzen is bevrijd op 19 september 1944. En die Duitsers zijn dus ongeveer twee weken bij mij  geweest. Alles wat ze hadden aan voedsel dat hebben ze aan Ann gegeven. En wij zorgden ervoor dat er voedsel was.  Vooral die oudste is me heel dankbaar ge-weest. Ik heb hem later nog geholpen met het zoeken naar zijn vrouw, want zij  woonden indertijd in Stettin, daar had hij een schoenenzaak. Die schoenenzaak is door de fascistische beweging om zeep  geholpen. Ze zijn gevlucht, kinderen hadden ze niet. Hij heeft zijn vrouw terug kunnen vinden in Dresden.   Ik heb ze verteld dat ze nog krijgsgevangen zullen worden. “Ja, maar hoe lang gaat dat duren”, vroegen ze. “Niet zo heel  lang, want ze hebben geen behoefte aan mensen in kampen. Als het enigszins kan zijn jullie zo weer thuis”. En dat is  later juist gebleken. Ik heb gezegd “wacht”, want ze wilden zo het huis uit lopen. Even kijken of er de mogelijkheid  bestaat om mensen op te vangen die zich willen melden of als gevangene daar naar toe gebracht kunnen worden. Zij zijn  toen thuis gebleven en ik ben op zoek gegaan en toen bleek dat aan de Axelsestraat, een beetje verder naar Othene, bij  Driehuizen, toe, dat er daar een opvangmogelijkheid was. Dit bleek van een Poolse eenheid te zijn. En ik heb er gevraagd  of ze er gevangenen konden hebben. En ze zeiden ja. Goed, zei ik, ik zal ze even halen. Ik heb ze toen gehaald. En ik had  in de gaten dat ze alles van de gevangenen afnamen, horloges e.d. Ik zei dat tegen hen, want ik zag dat hij een heel  mooi horloge had. En hij zei, nou ja bewaar het dan maar. Misschien dat er een gelegenheid komt, later, om het eens  terug te geven. Ik heb hem bewaard en ik denk dat ik hem nog ergens moet hebben liggen. (Adri en Ben adviseren om  de nazaten proberen te achterhalen om het horloge alsnog terug te geven). En dan is het frappant als je kunt zeggen dat nadat ze weer teruggekeerd zijn naar hun huizen en dat als een van die  twee de vraag aan je stelt, is het wel juist om kinderen te nemen? Zij hadden nog geen kinderen. Hij had zijn vrouw ook  weer teruggevonden. Ik heb hem een begrijpend antwoord gegeven: “hoeveel mannen hebben jullie in de oorlog  verloren. Het mannelijke gedeelte heeft een behoorlijke knauw gehad. Duitsland heeft veel mannen verloren in de  oorlog”. Hij heeft er daarna een paar  ‘gemaakt’ . We hebben nog meegemaakt dat hij op een gegeven  moment 2  kinderen had. De correspondentie tussen hem en mij ging verloren. Hij woonde in Dresden. Dat was na de oorlog  Russisch gebied geworden. De Russen maakten de post open. Hij verzocht mij om geen brieven meer te sturen anders  zou hij in moeilijkheden kunnen komen. Dat was ergens rond 1949. En ik ben later (1957) verplaatst naar Amsterdam.  Toen ben ik dus het contact met die Duitsers verloren. Ik weet niet meer de namen van de Duitsers. Maar hij zou het nog  op kunnen zoeken.  Noot:   Na het overlijden van pa heb ik enkele brieven en foto’s gevonden van deze Duitsers. Via internet ben ik gaan zoeken  en heb op de laatstbekende woonplaats van dhr. Jahnke een oproep geplaatst. Tot mijn verbazing kreeg ik slechts een  paar weken na de oproep een bericht van de oudste zoon, die in Portugal woont. Met hem heb ik een paar  mailgesprekken gehad en heb ik de brieven en de foto’s (via mail) toegestuurd. Hij was mij hier zeer dankbaar voor.