Home Home Terug naar familiegeschiedenis Terug naar familiegeschiedenis
Het leven na de bevrijding in Terneuzen  Het oostelijk deel van Zeeuws-Vlaanderen heb ik van Gemeente tot Gemeente gezien. Daar ben ik overal geweest. Als  ambtenaar, niet zelfstandig, maar met anderen. We gingen dan op de dienstfiets. We hebben ook meegedaan aan de  geldzuivering. Met het bekende tientje van Lieftink. Dan werd er dus gekeken bij de boeren of ze dingen of gelden hadden  achtergehouden. Vooral vlak na de oorlog werd er bekeken of ze zich in de oorlog hadden verrijkt. Het bleek dat ze vaak  veel gouden en zilveren munten hadden, die ze in blikken verborgen. Die blikken wogen dan als lood. Dat hadden ze nooit  aangegeven voor de belastingen. De inbeslaggenomen gelden werden dan naar de Rijksontvanger gebracht in Sas van  Gent. Ik mocht één keer de boeken bekijken van een kapper uit Terneuzen. Het was een kapper die op de markt werkte. Ik zag  in zijn boeken dat hij een vermogentje had van zoveel in 1940 en nou, na afloop van de oorlog, had ie opeens een  vermogen van zoveel. En wat waren zijn inkomsten in die tijd, die waren in zijn to-taliteit veel minder dan dat hij zou  kunnen sparen. Het gevolg was dat er gezegd werd dat vermogen is omhooggegaan, waardoor, dat weet ik niet, maar  laten we maar aannemen dat het zwart geld was. En toen heb ik die man voor het eerst een aanslag opgelegd. En toen zei  mijn baas: “nou, dat heb je netjes gedaan”. Dat was vermogensvergelijking (inkomstenvergelijking in het vermogen).  Maar je kan nooit sparen als je het geld niet hebt gehad. En dan komt zo iemand langs en dan zeg je: “Kijk, dat heeft u  aan inkomsten in 1940 opgegeven en dit heeft u nu als inkomsten opgegeven”. Daar zit iets tussen van zoveel. Hij zei, ja  ik zie het. U heeft gelijk. De inkomsten hadden een andere bron, die hij niet kon verklaren.    Er zijn ook leuke anekdotes uit die tijd op kantoor. Er werkte een collega, Willy de Roo (hij leeft niet meer). Een grote  vent, hij was groter dan ik. Hij was een gelovig mens uit Sas van Gent. Op een gegeven moment liet hij los dat er nooit  iemand naar de Maan toe kon. Je kon niet in de ruimte komen, want dat was een geloofsruimte. En ik heb toen gezegd dat  het wel kan. En later bleek dat ik gelijk had en toen zei ik “alsjeblieft, waar blijf jij nou met je geloof”? Daar kon die niks  tegenin brengen. Maar, hij is altijd gelovig gebleven hoor. Op de een of andere manier wordt daar weer een draai aan  gegeven. Dat is al eeuwen zo. Maar ze hadden plezier op kantoor, want ze waren niet allemaal zo. Ik heb in die tijd aan een onderzoek meegedaan. Achteraf heb ik gehoord dat er zo’n 3000 deelnemers (adjunct-  commiezen) waren. Ik heb eerst schriftelijke tests gedaan enz. In Utrecht kreeg ik een mondeling onderzoek. Ik heb daar  een map met mijn naam erop gezien met het cijfer 7 erbij. En later heb ik meerdere mappen gezien, die allemaal een  hoger cijfer hadden. En ik dacht, o, waarom staat er een 7 bij, ik weet het niet. Maar ik kreeg er te horen dat ik geslaagd  was voor een functie op commiesniveau. Daar heb ik uiteindelijk mijn verdere toekomst aan te danken gehad. Maar ik  moest daarna dus solliciteren. Wat heb ik toen gedaan. Ik heb toen gekeken en toen kwam Amsterdam aan de orde in de  vorm van een instructie die gegeven moest worden aan het personeel, dus zuiver instructief werk, het ging om schriftelijke  instructies. En dat ging dus verder om eventueel leiding te geven als toegevoegd chef aan de chef van dat hele bureau.  Dat hele bureau bestond uit zo’n 6 afdelingen (dus 6 afdelingen à 15 man, dan zit je aan ongeveer 90 man; volgens mij  waren het zelfs meer dan 100 mensen). Daar werd ik dus toegevoegd en heb daar mijn eerste stappen gezet op het  niveau van het personeel. Er is nog sprake van geweest dat ik nog kandidaat ergens voor zou zijn, dat was in de vijftiger jaren, dat is toch niet  doorgegaan. Dit kwam ook door het ongenoegen van mijn familie. Kijk in 1952 was mijn gezinnetje al uitgegroeid tot 7  personen (5 kinderen).  Ja, zo denk je bij jezelf, je doet mee, je doet mee met de politiek, verenigingsleven enz. En ma korfbalde altijd mee,  zolang er geen kind op komst was. En zij is altijd een ijverige korfbalster geweest. En als je ziet dat een korfbalvereniging  die opgericht is in 1940, eigenlijk december 1940, 1 januari 1941 officieel, die bestaat nu nog. Is wel wat minder  geworden. Ik heb zelfs nog 1 keer in het Zeeuwse twaalftal gezeten. En als je tegen Seits van Deetos speelde, als je die in een hoek van het veld zette, en dat was een veld van 30 meter, en als je die de vrijheid liet om te schieten, dan zat ie 8  van de 10 keer. Daar kon je niet tegen op. En als je dicht bij hem kwam dan was ie zo weg. Hij was toen één van de  bekendste korfballers.   Ten tijde dat wij in de Geraniumstraat woonden en het korfbalveld aan de Lelielaan lag, kleedden de heren zich in de  keuken om en de dames in de schuur.  Er was ook een fotoclub in Terneuzen. Met een aantal mensen hebben wij een fotoclub opgericht, het Kiekkastje. Dit was  na de oorlog. We hadden toen nog niet zoveel kosten als gezinnetje en ik had toen zo’n fl. 400 à fl. 500 gespaard. Ik kreeg  een aanbieding uit Limburg voor een camera, die ik kon kopen, tweede hands. En dat was een Leica met een drie en een  halve lens. En die waren in die tijd heel goed. Ik heb toen “Ja” gezegd en hem gekocht.    Er waren 2 toneelverenigingen.  Ik was voorzitter van de plaatselijke vakbond (het was een vrij behoorlijke afdeling) en heb Meifeesten helpen  organiseren. Met Jan Huijbregts als secretaris. Het was in de vijftiger jaren dat ze mij vroegen: heb jij zin om  gemeenteraadslid te worden. En toen heb ik geaarzeld en het is er toen niet van gekomen. Ik heb nog wel een keer  meegemaakt dat ik zo’n 1 mei bij-eenkomst mocht openen met een toespraak.  De fotoclub Het Kiekkastje heeft in deze jaren nog een tijdje voortbestaan. Het Kiekkastje heeft nog een rol gespeeld bij  een demonstratie. Het was een soort praalwagenoptocht waar het Kiekkastje ook aan meedeed. Het Kiekkastje zat bij  Elzinga in de Noordstraat (de fotozaak). Wij kregen de bevoegdheid om van zijn werkkamer gebruik te maken. De jonge  Elzinga is op vrij jonge leeftijd om het leven gekomen. Hij reed met een motorfiets, die niet van hemzelf was, en daar  mocht hij mee touren, maar hij heeft zichzelf doodgereden, ergens tussen Zaamslag en Driewegen in een flauwe bocht in  de weg waar zand op de weg lag. Hij was enigst kind. Hij heeft Adri wel eens gevraagd mee achterop de motor mee te  gaan, maar Adri heeft dit altijd geweigerd.   Ik heb ook belangstelling gehad in de ontwikkeling van de televisie. We werden als fotoclub voor de eerste tv-uitzending  uitgenodigd bij de electronicawinkel in de Noordstraat. Na de oorlog heb ik ook een eigen radio gebouwd, een compleet  toestel. Volgens Adri heeft pa ook nog een radio gebouwd, waarbij je met toetsen de frequentie kon kiezen (korte golf,  midden-golf en lange golf).  Toen Edith zo’n 2 à 3 jaar was liet ze weten dat ze graag een zusje wilde. Maar helaas in 1950 kreeg zij er een broertje  (Leo) bij en later in 1952 nog een broertje (Ben).  Ik kreeg zo begin 1950 de gelegenheid om mij bij te laten scholen. Van het Rijk kreeg ik daarvoor 4 weken verlof extra per  jaar (dat was steeds in de maand februari). Dat was een opleiding in hogere technieken van het NVV (kaderopleiding). Het  mondelinge examen werd gehouden in Egmond aan Zee, in een hotel aan de Boulevard, onder leiding van professor  Manolie. Die had een paar hoogleraren bij zich. Ik was 4 weken achter elkaar van huis weg. De lessen waren ’s-morgens,  ’s-middags en ’s-avonds. Je kreeg werkstukken naar huis gestuurd, die je moest maken. Dat was een hele opgaaf. Ik had  een goede basisopleiding gehad (HBS), zodat ik het niet zo moeilijk vond om het te maken. Ik zou op 1 februari 1953 weer  naar Egmond aan Zee gaan. Daags daarvoor had ik een afspraak met Jan de Boks (dat was ook iemand van de  Belasting-dienst, die, net als ik, fotografie als hobby had). Hij had een jonge vrouw. Op die avond (31 januari 1953)  zouden wij foto’s gaan maken bij mij thuis aan de Dokweg. En daar werd dus alles opgesteld. We moesten nog een plaat  sjouwen (een plaat met een egale achtergrond). We hadden ook genoeg lampen.  Dus, die avond hadden wij  gefotografeerd en zo tegen twaalven moest hij terug naar de Baandijk (dat is door het land heen, maar niet zo ver weg).  En toen stormde het al aardig. En ik weet nog wel dat we moeite hadden om die plaat, met ons tweeën, vast te houden.  Nadat wij dus bij hem thuis waren gekomen en de plaat hadden binnengebracht ging ik weer terug naar huis. En ik ben  naar bed gegaan. En ik werd toen ’s-nachts wakker gemaakt. Terneuzen begon onder water te lopen en daar waren dijken  doorgebroken. Er is nog wel materiaal naar boven gesjouwd (de polder, waar wij in woonden lag lager dan de zeespiegel).  Ik zou die volgende morgen weer naar Egmond aan Zee moeten. De veerboot voer niet, vanwege de storm. De veerboot  was tegen de kant geslagen bij Kruiningen. Hij lag in de weilanden. Hoe moest ik nu naar Egmond. Telefonisch verkeer was  niet mogelijk. Via via kwam ik erachter dat ik via Antwerpen naar Rotterdam kon. Dus op 2 februari 1953 ben ik richting  Antwerpen gegaan, daar de trein naar Rotterdam genomen en zo verder naar Egmond. Ik kwam daar ’s-avonds rond 8 uur  aan. Ze vonden het wel raar dat ik, ondanks de overstromingen, toch ben gekomen.  De cursus heb ik daarna in 1953 helemaal afgemaakt. Ik kon toen gaan solliciteren bij het NVV, maar dat deed ik niet. Ik  kreeg wel van opeens een mededeling van, zeg ga eens solliciteren, daar en daar. En als ik daar dan op terugkijk besef ik nu pas hoe dat gegaan is. Ik had eigenlijk nooit beseft waarom het NVV mij dat  gevraagd had. Ik had in die tijd wel vaker strijd gevoerd met het NVV, samen met Jan Huijbrechts (dat was de secretaris  van de afdeling). Ik was het vaak niet altijd met hem of het Hoofdbestuur eens. Wat ik ook achteraf vreemd heb gevonden  is dat het Ministerie van Financiën mij zomaar, vier jaar achter elkaar, een volledige maand verlof gaf om die opleiding bij  het NVV te gaan volgen. Kennelijk is in de hogere organen van het Ministerie iets afgesproken om mij dit te laten doen. We  zouden die kerel misschien wel kunnen gebruiken, maar dat hebben ze mij nooit gezegd. En zo kreeg ik eigenlijk een tip  om te solliciteren naar Amsterdam. En dat was in 1957. En toen besefte ik ergens, ik ben op een ander “plat” gezet door  het Ministerie om zo de belangen van het NVV te doorkruisen.  Vanuit het NVV kreeg ik het verwijt: waarom solliciteer jij niet? En toen had ik gezegd: och, waarom? Ik heb het best wel  naar mijn zin. Ja maar dit en ja maar dat, zeiden ze. Ja, zei ik, maar ik werk nu bij Financiën en daar heb ik het naar mijn  zin. Als ik dus voor het NVV bestuurder wil worden, dan betekent dat, dat ik in Nederland naar elke plaats toe gezonden  kan worden waar gesproken moet worden en ik heb een gezin met 5 kinderen. Dat is niet verantwoord. Zoiets brengt  teveel schade aan een gezin. Bij mijn latere sollicitatie van Amsterdam naar Hengelo werd het duidelijk, het Ministerie had belang bij mij. Het Rijk, de  Belastingdienst, wilde mij vasthouden.  Op 30 juni 1952 (Google) werd, in het kader van de Delta-werken, als één van de eersten de Braakman gedicht. Dat heb  ik nog gefotografeerd. Er werd een splinternieuwe dijk aangelegd. In het midden waren twee caissons.   Bij een schaakwedstrijd (zichtbaar op een foto) heb ik nog tegen Max Oewe geschaakt, maar op een gegeven moment  ging ik om zeep, maar ik heb er voor die tijd menigeen zien sneuvelen. Ik heb het redelijk lang vol-gehouden.   De beheercommissie van de woningbouw, ook daar zat ik in als voorzitter. Er werden rond die tijd 6 tot 7 kamerwoningen  gebouwd en in de commissie werd gevraagd wie daar belangstelling voor had. Niemand had belangstelling en toen heb ik  dus gemeld er wel belangstelling voor te hebben. Vandaar dat we dus naar de Geraniumstraat verhuisd zijn. Dat was  vermoedelijk in het jaar 1955. Ja, het is allemaal zo’n mooie tijd geweest.  Er is een bepaald moment in je leven dat je teruggefloten wordt in je doen en laten. Bij mij gebeurde het dat ma, het was  ongeveer 1950, tegen mij zei: “Je slaapt s nachts niet meer goed”. Dat klopte ook wel, “ga maar eens naar de dokter”, zei  ze dan. Een heel gesprek met de dokter gehad. En toen zei hij: “eens even wachten, schrijf eens op wat je allemaal doet”.  En toen keek hij en hij zei: “daar moet minstens de helft af”. “Nou dokter, dat valt niet mee”, zei ik. Hij zei: “doen, anders  dan ga je er zelf aan”. Ik heb dus beslist, dat en dat laat ik vallen. Allerlei dingen waar ik dus tijd aan zou besteden. Na  een goeie maand, ik heb dit met mijn baas ook besproken en hij gaf mij wat ruimte om tot rust te komen, kwam ik weer  bij de dokter en hij onderzocht mij weer en hij zei: “Kijk nou gaat het de goeie kant op”. En de dokter vroeg: “wat heb je  afgestoten”? Ik zei: “dat en dat en dat enz”. “Goed”, zei hij, “niet méér nemen”. Je ziet, je kan je zo ongemerkt  overbelasten. En zo is mijn verdere leven in Zeeuws Vlaanderen geweest.   We zijn met de fotoclub een keer, bij de Braakman, met een bootje, bij laagwater,  op een stukje land afgezet. En daar  zaten vogels. Vogels die daar broedden. Het was een fantastisch vogelgebied. Maar we moesten wel voor het hoogwater  werd weer terug. Dit moet dan geweest zijn voordat de Braakman afgesloten werd. En daar hebben we de nodige foto’s  gemaakt.  Met ons gezinnetje gingen we ook vaak naar de Braakman. We speelden en zwommen daar.  In die jaren (ergens rond 1950) heb ik ook nog eens een fotowedstrijd bij Het Vrije Volk gewonnen. Dat was een foto met  Adri, Wim en Edith erop.  De Zeeuws-Vlaamse tijd was echt een tijd waar ik me flink heb  ontwikkeld en waar ik veel gedaan heb.